Grondslag en doelstelling

Grondslag
De grondslag van de Reformatorische Peuterspeelzaal Staphorst is het eeuwig, onveranderlijke Woord van God, opgevat naar de Drie formulieren van Enigheid, zoals deze zijn vastgesteld door de Nationale Synode, gehouden in 1618/1619. Haar beginsel is, dat de volksopvoeding en het volksonderwijs geheel in overeenstemming moeten zijn met de in de Bijbel geopenbaarde wil van God. Zij beschouwt de vertaling die het nauwst aansluit bij de oorspronkelijke Statenvertaling als de meest zuivere en de enige voor het gebruik op de peuterspeelzaal/zalen toegestane Bijbelvertaling. (zie artikel 2 van de statuten.)
 

Doelstelling
De stichting stelt zich ten doel het opvangen alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van jonge kinderen in de voorschoolse fase, door hen in groepsverband samen te brengen met en onder deskundige begeleiding die werkt vanuit de grondslag zoals verwoord in artikel 2 van de statuten.
Vanuit deze grondgedachte is het de opzet om de kinderen te laten spelen, zowel alleen als met anderen, waarbij, door de leiding, aandacht wordt besteed aan het sociaal-emotionele aspect. Ook wordt de peuters de gelegenheid geboden kennis te maken en te experimenteren met verschillende materialen, zoals klei, verf, lijm, zand, water e.d.
Door zowel individuele als groepsgerichte aandacht krijgt het kind de kans zich zo volledig mogelijk te ontplooien en wordt de algehele ontwikkeling optimaal gestimuleerd. Hierbij wordt bekeken of de ontwikkeling goed verloopt, zodat eventuele problemen of achterstanden vroegtijdig kunnen worden onderkend.
 

Visie op kind
We zien het kind als een schepsel van God, belast met de gevolgen van Adams val en bondsbreuk. Het is zich dit, gezien zijn geestelijke blindheid en ongevoeligheid waarmee hij geboren is, niet bewust. Ditzelfde geldt ten aanzien van zijn verantwoordelijkheid aan zijn Schepper. In deze komt de noodzakelijkheid van de christelijke opvoeding naar voren, waarbij getracht wordt om het kind te brengen tot de kennis van God, zichzelf en Gods Woord.
De kinderen die de peuterspeelzaal bezoeken zijn nagenoeg allen gedoopt.
Deze doop beschouwen we niet als een verzegeling van persoonlijk geloof, maar als teken en zegel van het genadeverbond. Dat houdt in dat we de gedoopte kinderen niet zien als in principe wedergeboren! De doop stelt de kinderen echter afgezonderd van de ongelovige wereld en drukt tevens uit dat God voor hen op een bijzondere wijze gezorgd heeft en gemaakt dat zij aan Hem zijn opgedragen en dus tot heiliging en verheerlijking van Zijn Naam en dienst zijn afgezonderd. Onze gedoopte kinderen leven onder de verbondseis van bekering en geloof; hiertoe dienen de genademiddelen van gebed, prediking, catechese en (Bijbels)onderwijs.
 

Visie op opvoeding
Opvoeding is een Bijbelse opdracht: de Heere gebiedt ons Zijn inzettingen en rechten door te geven aan onze kinderen en hen deze in te prenten. Dit wordt duidelijk verwoord in Deut. 6 : 6 t/m 9, Efeze 6 : 4 en Gen 18 : 19. Van ouders die hun kinderen naar een christelijke peuterspeelzaal sturen mag verwacht worden dat zij zullen trachten hun jawoord bij de doop met Gods hulp in de opvoeding na te komen. Immers bij de doop hebben zij de gelofte afgelegd, de panden hen toebetrouwd, zodra zij tot hun verstand gekomen zijn, in de voorzeide leer te doen (en te helpen) onderwijzen.
Zowel genoemde teksten als het formulier stellen deze taak primair bij het gezin, daarin bijgestaan door kerk en de onderwijsinstellingen.
In de grootst mogelijke harmonie moet de kinderen worden voorgehouden de noodzaak om in dit (korte) leven te ontvangen de geestelijke gaven (wedergeboorte, bekering en geloof), die God in Zijn bijzondere genade verleent.
Veel nadruk in benadering en opvoeding moet het geweten krijgen. Onder het geweten verstaan we enig besef van het goede en het kwade (vgl. Gen. 3 : 22).
Hieruit komt het vermogen voort te onderscheiden tussen goed en kwaad. Dit geweten waarschuwt ons als we iets verkeerds spreken, denken of doen.
De normen voor de beoordeling van goed en kwaad liggen echter niet in de mens zelf, zodat we moeten stellen dat de gewetensvorming erop gericht is kinderen te leren zich bij hun oordeelsvorming ‘van harte’ door de geopenbaarde Waarheid te laten leiden. Uitgaande nu van het gegeven dat de mens een zelfbewustzijn en een geweten heeft, kan hij zich rekenschap geven van zijn bestaan. Hij is verantwoordelijk voor zijn daden en kan hierop aangesproken worden.
In de meest absolute zin heeft hij zich te verantwoorden tegenover God. De Heere is immers de hoogste Gezagsdrager. De opvoeder heeft dus een afgeleid gezag. Hij zal het kind erop moeten wijzen dat niet hij, maar de Heere, de grote Opvoeder, vraagt om gehoorzaamheid.
Het opvoeden houdt in het kind tot zelfstandigheid te brengen, zijn gedachten en gevoelens onder woorden te brengen; kritisch te staan t.o.v. zijn levensuitingen, maar dan wel genormeerd door wat God openbaart in Zijn Woord.

In de scheppingsorde is door de Heere duidelijk onderscheid gemaakt tussen man en vrouw en dit onderscheid zal ook in kleding en haardracht tot uitdrukking dienen te komen. Zowel meisjes als jongens dienen in nette, gepaste kleding te verschijnen. In dit verband zij vermeld, dat de meisjes de peuterspeelzaal in jurk of rok dienen te bezoeken; het dragen van een broekrok of minikleding is niet toegestaan, evenals het dragen van mouwloze kleding.

624